Wat is voor jullie de betekenis van De Nieuwe Tuin?

Frank Bruggeman: Over het algemeen zijn stadsparken zoals het Museumpark waar Het Nieuwe Instituut aan ligt heel gecultiveerd. Hans en ik proberen met De Nieuwe Tuin een ecologisch waardevolle natuur te propageren, met een grotere soortenrijkdom dan gewoonlijk in de stad te vinden is. We hebben de planten die op de plek zelf tussen het gras groeiden als uitgangspunt genomen om mee verder te werken. De vijvers inspireerden ons om naar het Hollands waterlandschap te kijken. Tot begin vorige eeuw bevond zich hier het Land van Hoboken, een landgoed dat grotendeels uit natte weilanden bestond.
Hans Engelbrecht: In de tuin stimuleren we biodiversiteit en bieden we tegelijkertijd ruimte aan het sociale gebruik van een tuin of park. Ik wil bezoekers, ontwerpers en beheerders laten genieten van de resultaten van een natuurlijk vegetatiebeheer. Daarbij maken we gebruik van materialen die ter plekke voor handen zijn en reageren we op de nabije omgeving zoals de bodem en bestrating, vegetatie en fauna, aangrenzende bebouwing, de oriëntatie van de plek, de skyline, ect.

Naast de bestaande begroeiing hebben jullie nieuwe planten toegevoegd, welke zijn dat?

FB: Dat zijn vooral inheemse planten, vlier bijvoorbeeld, wilg en kaardenbol, in contrast met de cultuurplanten die in de omringende tuinen staan. In en langs het water staan onder meer riet, rietsigaar en gele lis. In de tuin hebben we ook een aantal exoten geplaatst. Sommigen daarvan zijn in zekere zin een beetje té wild. Deze zogenaamde ‘invasieve’ exoten worden als gevaarlijk gezien, omdat ze zich snel uitbreiden en andere planten verdringen. Er zijn ecologen die er daarom voor pleiten dergelijke planten te verbieden. De Japanse Duizendknoop is zo’n invasieve exoot.
HE: Ik vind het interessant om deze opdringerige soorten bij het beheer van de tuin enigszins in toom te houden, zonder ze te willen bestrijden. Door een flexibel en creatief vegetatiebeheer kunnen ook deze ‘lastige’ planten een esthetisch en ecologisch waardevolle plek in de tuin krijgen.
FB: Veel van wat we nu als inheems beschouwen, is ooit van elders gekomen. Juist stadstuinen, stadsparken en stadsingels zijn verzamelplaatsen van exoten, die het vaak heel goed doen.

Het was dus niet de bedoeling om De Nieuwe Tuin als een braakliggend stuk grond te laten verwilderen? Je stuurt en stimuleert wel degelijk.

FB: De Nieuwe Tuin bevindt zich op de plek waar eerder Het Nieuwe Paviljoen stond. Toen dat werd afgebroken, bleven er een berg grond en een toegetakeld grasveld achter. Wij hebben die situatie als uitgangspunt genomen, waardoor je het gebied nu meer als een tijdelijk landschap ervaart. Hans maait regelmatig banen in het gras, zodat er verschil in begroeiing ontstaat. We stimuleren een wilde tuin, maar de esthetiek van zo’n ingreep zorgt er voor dat de tuin er niet verwilderd uitziet. We hebben bewust een ruimte gemaakt die uitnodigt tot gebruik. Ook de verbinding met het Museumpark vind ik mooi gelukt, als je naar de stad loopt doorkruis je even een heel andere wereld.
HE: Voor mij is het een uitdaging om inzichten en methoden afkomstig uit het grootschalige natuur- en landschapsbeheer te vertalen naar de schaal van een tuin. Elementen uit natuurlijke kringlopen zoals de uitzaai en ontwikkeling van spontane kruiden, het laten uitbloeien, afsterven en composteren, niet ingrijpen bij schimmels, insecten en insectenvraat, kregen een plek in de detaillering en esthetiek van De Nieuwe Tuin. In de tuinkunst zijn dergelijke processen niet of nauwelijks geaccepteerd.

Jullie ensceneren in feite een wilde tuin?

FB: Het is natuurlijk een behoorlijk ambivalente aangelegenheid. In het begin moet je steeds bedenken waar je ingrijpt en waar niet. Op de lange duur gaat dat meer vanzelf, maar onze benadering vraagt om een andere manier van werken dan de reguliere plantsoenendienst gewend is. Gemeentes moeten het onderhoud aanbesteden en dan gaat de opdracht meestal naar de goedkoopste aanbieder. Dat gaat niet altijd samen met het stimuleren van biodiversiteit.

Hans, jij onderhoudt in de stad Groningen een aantal terreinen op ecologische wijze, wat is volgens jou het grote verschil met de reguliere aanpak van gemeentes?

HE: De gemeente Groningen heeft het onderhoud van een aantal terreinen uitbesteed aan gespecialiseerde bedrijven, waaronder mijn bedrijf De Groene Stap. Met een speciaal maairegime en kleine terreinaanpassingen wordt daar gewerkt aan een grotere ecologische diversiteit. Hierbij wordt samengewerkt met gemeentewerkers, die de ruimte rond bankjes en sommige stroken langs wegen en paden kort houden. Bepaalde terreinen zijn aansluitend en aanvullend op het maairegime opgenomen in de route van een schaapskudde die door de stad graast. Doordat ik enkele terreinen ondertussen al vele jaren in beheer heb, kan ik specifieke aandacht besteden aan kwetsbare soorten en plekken. Daarnaast breng ik bij het maaien bewust bepaalde vormen aan. Zo zijn er ecologisch en esthetisch waardevolle gebieden ontstaan, die resulteren in blije wandelaars en aanwonenden. En dat alles tegen lagere kosten, want de aanpak is minder arbeidsintensief dan het gangbare gazon- en plantsoenbeheer.

Frank, hoe past De Nieuwe Tuin binnen de context van je werk als kunstenaar?

FB: Dat verhaal van de cultuurplant versus de inheemse plant loopt als een rode draad door mijn werk. Hans denkt meer in plantengemeenschappen en biotopen. Wat dat betreft is onze samenwerking een experiment. Uiteindelijk heeft dat toch weer tot een evenwicht geleid. De Nieuwe Tuin is een samengesteld landschap geworden. De verschillende biotopen zijn vooral het werk van Hans. Ik stel de boel hier en daar op scherp, niet alleen door de toevoeging van exoten maar ook door bewust betonnen elementen en stadspuin in de tuin in te brengen. Er bestaan zoveel manieren van tuinieren, van hoe de mens de natuur vormgeeft. Je zou Louis Le Roy als grondlegger van een wilde vorm van natuurbeheer in de stad kunnen beschouwen. Hij begon in de jaren zeventig met een heel uitgesproken benadering, hij stapelde stenen en liet daaromheen de natuur zijn gang gaan. Voor mij is het zoeken naar een balans tussen beheer en ruimte geven het meest interessant. Wij doen heel bewust ons best om De Nieuwe Tuin er natuurlijk uit te laten zien, als een voorbeeld voor de aanpak van andere stedelijke groene ruimtes. Je merkt dat steeds meer mensen zich aangetrokken voelen tot de vrijheid die spreekt uit een wildere vorm van beheer – daar is De Nieuwe Tuin een pleidooi voor.

De Nieuwe Tuin als platform voor een grotere diversiteit aan stadsnatuur?

FB: Dat is inderdaad hoe we het graag zouden zien. Het zou daarom mooi zijn als de tuin de kans krijgt om wat langer te bestaan. De rijkdom van onze beplantingskeuze kan zich dan beter bewijzen. In dit stadium is het nog zoeken en testen. Pas na twee of drie jaar wordt duidelijk hoe de plantengemeenschap zich verder ontwikkelt.

De Nieuwe Tuin
Frank Bruggeman en Hans Engelbrecht
Karlis Krecers

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Landschap en Interieur en het dossier Museumpark.

De Nieuwe Tuin is een samenspel van natuur en cultuur op het buitenterrein van Het Nieuwe Instituut. Het tijdelijke landschap van kunstenaar/ontwerper Frank Bruggeman en hovenier Hans Engelbrecht sluit aan op de groeiende belangstelling voor stadsnatuur.