Schrijver Sanneke van Hassel (1971) schreef speciaal voor De Nieuwe Tuin een kort verhaal dat ze tijdens de opening op 10 mei voordroeg. 

Een meerkoet peddelt in de vijver. Hij is de enige meerkoet die zich hier waagt. Steeds gaat zijn kop onder water, verdwijnt zijn witte snavel in het donker. Tegen de rand van het bassin drijft een rommelige stapel takken – het begin van een nest?

Een meisje van twee oefent haar stappen. Aan de hand van haar moeder loopt ze over het plankier dat in de vijver ligt. Een, twee, drie, ze klimt de trap op. Bovenaan blijft ze staan. Haar handje wijst: ‘boom, boom’. Haar moeder knikt, ‘dat is een mooie boom.’ Weer gaat dat handje omhoog, richting takken waar groene veertjes uit komen: ‘Blaadjes’. 

Sleutelbloemen zijn al bijna uitgebloeid, hun gele bloemen krimpen.

Tik tik tik, tik tik tik. Twee honden springen in de sproeier. Gespierde beesten, met scherpe tanden. Ze worden wild van het geluid, van de straal die steeds een stukje opschuift, ze volgen het trommelende water, hun bewegingen uitgelaten. Door de blubber, tussen jonge planten door. Hun baas fluit, ze rennen. Hij wil ze aanlijnen. Nog niet, nog even samen aan een jonge vlier snuffelen, een plas doen tegen de stam. Hun baas trekt ze mee, de drukke weg over, naar het poepveldje.

Grassprietjes als babyhaartjes in de zanderige grond.

Fallopia japonica, Japanse duizendknoop, een vrouw met kort grijs haar staat bij de betonnen buis, kijkt naar de groenrode scheuten die daar groeien. Onder de grond gebeurt het, boren meterslange wortelstokken zich een weg, wortels die je nooit meer weg kan krijgen, net zo opdringerig als de mens. De vrouw loopt door, stopt bij een vlier met donker blad, denkt aan de kleur van wijn. Een berk lijkt zo in de grond geprikt. Tak vat wortels. Ze schrijft iets op.

Nieuwe vriendinnen: hondsdraf, reigersbekje, lievevrouwenbedstro.

Een jongen houdt een plastic bakje met knolletjes in zijn hand.  Psillocybe gallindoi,  tien gram is genoeg voor een trip.  Hij heeft er een folder bij gekregen. Nu alleen nog een plek om ze in te nemen. Het is de eerste keer. Zijn vriend zegt dat je ze in de natuur moet nemen, wat je dan ziet, een vlammende wereld. Hij kijkt om zich heen, een man trekt aan twee honden, een vrouw fronst naar een plantenbak… Goed kauwen, nog tien minuten, dan zal het gebeuren. De bladeren van de boom zullen lachende mannetjes zijn, of zinderende luchten. 

Een meeuw laat zich meevoeren op een luchtstroom

‘Nous devrions faire autre chose,’ de kleine man fluistert in zijn telefoon, onverstaanbare zinnen, steeds zachter. Aan de rand van de tuin loopt hij op en neer, langs de parkeerplaats, wel een uur lang mompelend in zacht Frans, zonder op te kijken. Dan gaat zijn blik omhoog, naar de camera op de paal. Hij doet een stap opzij en staat in de tuin.

Een judaspenning trilt in de wind. Uit welke tuin aan de overkant is hij ontsnapt? Later veranderen de paarse bloemen in groene schildjes met zaad.

‘Hier is het,’ zegt de jonge vrouw. Ze houdt een plastic bak met een salade in haar hand en wenkt twee mannen in pak. Naast elkaar gaan ze aan de tafel zitten, met hun gezichten naar de zon. Ze halen hun lunch uit de verpakkingen. Een van de mannen wijst op een schuilplaats van wilgentenen: ‘Vroeger bouwde ik hutten,’ zegt hij. Buiten, op het landje bij ons huis groeiden wilgen, riet, paardebloemen. Zijn collega kijkt hem aan ‘Gaat het goed met je, Arnold?’ De man zegt niks terug. Hij staat op en loopt naar de hut. ‘Kijken of het nog past.’ 

Een kraai strijkt neer in de top van de es, draait zijn kop, daalt weer af, hupt over het gras, de Jongkindstraat op. Als er een auto aankomt vliegt hij krassend weg.

Hij doet een speurtocht door de stad. Het apparaat in zijn hand geeft hem de opdracht drie dezelfde objecten te zoeken, ergens in de buurt ligt een schat. Misschien bij die drie bomen? Of dichtbij, onder de lantarenpalen? Drie betonnen buizen, nee dat zijn er meer. Hoeveel banken van boomstam zijn er eigenlijk? Aan de betonnen tafel hangen drie jongens. Op de grond: drie Redbull blikjes. Verderop, in het zand scharrelen duiven, ze pikken tussen de grassprieten, het zijn er vijf. De man veegt het zweet van zijn voorhoofd. Telt drie roze bloemetjes aan een plant, morgen zullen het er meer zijn, of minder. Hij loopt over de steiger. Slechts een meerkoet. Of is het een waterhoen? Verderop bij het museum komen de deelnemers aan de speurtocht samen, daar zal een prijs worden uitgereikt. Hij is geen winnaar. Maar vandaag misschien wel. Gewoon even goed opletten.

Een overstekende naaktslak.

Ze zoekt een plek om te slapen. Nu nog niet, maar later, als het donker is en iedereen weg. Een rioleringsbuis ligt op zijn zij, er liggen brokken asfalt in, als ze daar iets overheen legt past ze er net in, haar knieën opgetrokken. Beton is koud, maar wel droog. Het puin opzij duwen. Als het donker wordt kruipt ze er stilletjes in, zodat de jongens die onder de lantarenpalen zitten te kaarten het niet merken.

Een jongen met een capuchontrui zit op de galerij. Zijn benen bungelen over de betonnen rand. Hij zit met zijn rug naar de tuin. Aan zijn voeten raast het verkeer, zoeft het, continu.  Hij sluit zijn ogen en dan hoort hij het: vogels - ze tjilpen, tjiftjaffen, kwinkeleren, ze kwetteren. Hij draait zijn hoofd om. Bouwgrond met kleine struiken, gras en een pad van gemalen puin. 

Een appelboom staat in bloei.

 

© Sanneke van Hassel, bij de opening van de Nieuwe Tuin van Frank Bruggeman en Hans Engelbrecht, 10 mei 2015

De Nieuwe Tuin
Frank Bruggeman en Hans Engelbrecht
Karlis Krecers

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Landschap en Interieur en het dossier Museumpark.

De Nieuwe Tuin is een samenspel van natuur en cultuur op het buitenterrein van Het Nieuwe Instituut. Het tijdelijke landschap van kunstenaar/ontwerper Frank Bruggeman en hovenier Hans Engelbrecht sluit aan op de groeiende belangstelling voor stadsnatuur.